Op 19 september 1237 verleende Graaf Otto II, graaf van Gelre en Zutphen, verschillende rechten en vrijheden aan de bewoners van het oppidum Doesburg. Met "oppidum" wordt gewoonlijk een met eenvoudige middelen als aarden wallen, grachten, pallisaden, houten poorten e.d. versterkte, maar nog niet ommuurde nederzetting aangeduid.
Hoe groot die nederzetting was weten we niet precies.
Wellicht werd de begrenzing gevormd door de Kloosterstraat, Boekholtstraat, Paardenmarkt, Hogestraat en Windmolenstraat.

Nadat Doesburg in 1343 toestemming had gekregen tot een stadsuitleg, werd het in zuidoostelijke richting uitgebreid met een groot gebied, waarbinnen de Meipoortstraat, Bergstraat, Zandbergstraat, Ooipoortstraat en Korte Kerkstraat zijn ontstaan. De vergrote stad werd beschermd door een muur met zo'n 13 muurtorens en waakhuizen. Op tenminste vijf plaatsen werd de muur doorsneden door afsluitbare stadspoorten, te weten de aan het eind van de daarnaar genoemde straten gelegen Koepoort. Meipoort en Ooipoort, en respectievelijk aan het eind van de Veerpoort- en Korte Veerpoortstraat gelegen Saltpoort en Veerpoort. Op kwetsbare punten kwamen bolwerken te liggen en in de 16e eeuw werden een aantal toren versterkt met een rondeel. Deze stenen ommuringen werd ontmanteld door de Fransen in 1672.

In de 17e eeuw ontving de bekende vestingbouwer Menno baron van Coehoorn de opdracht een nieuwe vesting te bouwen. Bijna 30 jaar is er aan de voltooiing gewerkt. De vestingwerken staan nu bekend onder de naam Hoge en Lage Linie of door de Doesburgers genoemd “Batterijen”. Deze wallen zijn er de oorzaak van geweest dat Doesburg, dat tot 1923 officieel vesting gebleven is, zich niet kon uitbreiden.
Stadhouder Prins Maurits bezocht rond 1600 meermalen onze stad. Hij was overtuigd van het grote strategische belang ervan en hij wenste Doesburg tot een sterke grensvesting te maken. In 1606 werd een begin gemaakt met het uitvoeren van zijn plannen. De vesting zoals Prins Maurits liet aanleggen heeft nauwelijks driekwart eeuw dienst gedaan. Toen de Fransen in 1672, onder persoonlijke leiding van Koning Lodewijk XIV, de stad bezetten, betekende dat tevens het einde van de toenmalige vestingwerken.

Op 4 februari 1673 liet de bezetter de boeren uit de wijde omtrek oproepen om deze met spade en houweel te slechten. Niet alleen de wallen maar ook de poorten moesten het ontgelden.

Toen Menno van Coehoorn, directeur der fortificatiën, begin 1698 het IJsselfrontier inspecteerde, toonde hij zich verrast dat Doesburg zoveel mogelijkheden bood om tot een sterke grensvesting te maken en in 1701 werd met het werk begonnen wat bijna 30 jaar heeft geduurd.

De vestingwerken staan nu bekend onder de naam "Hoge en Lage Linie". (Door de Doesburgers worden ze "de Batterijen" genoemd). In 1923 is de vestingstatus opgeheven en later werden de wallen tot beschermd natuurgebied verklaard.
De Hoge Linie ligt aan de rand van de bebouwde kom en is een reservaat. Hier mag men alleen onder leiding van een boswachter komen.
De Lage Linie ligt door de bebouwde kom heen en is opengesteld voor het publiek.

Menno van Coehoorn wandeling. Bij de VVV Doesburg is een interessante wandeling te koop die door een deel van de vestingwerken voert en tevens ook langs de IJssel en het nieuw verrezen IJsselkade project.